De broedzorg van de winterkoning is zeer intensief en kenmerkt zich door een unieke taakverdeling tussen het mannetje en vrouwtje, waarbij het mannetje polygaam kan zijn en meerdere nesten bouwt. De winterkoning bouwt zijn nesten op goed beschermde plaatsen. Soms op plaatsen waar het kleine vogeltje alleen maar bij-kan.
De broedperiode begint meestal eind april, waarbij de zorg voor de jongen tot lang na het uitvliegen doorgaat. De winterkoning heeft twee legsels per jaar, die bestaan uit 5 tot 7 eieren. Na 13 tot 15 dagen broeden komen de kuikentjes uit het ei. Het nest is bolvormig met veel mos, met aan de zijkant een opening. Het mannetje maakt meerdere nesten, waarna het vrouwtje uiteindelijk één nest uitkiest om in te broeden. Als het vrouwtje op de eieren zit, probeert het mannetje een ander vrouwtje te lokken in één van de andere nesten. De jongen worden tot 18 dagen na het uitvliegen nog gevoerd door beide ouders.
De winterkoning is een klein, bruin vogeltje met lichte wenkbrauwstrepen en een karakteristiek opstaande staart. De winterkoning vliegt met snelle vleugelslagen laag boven de grond van struik naar struik. De winterkoning heeft een kleine spitse snavel en fijne pootjes. De zang is luid en explosief, combinatie van trillers en heldere hoogtonige klanken.
De winterkoning komt in het hele land als broedvogel voor. Er moet wel voldoende dekking te vinden zijn om een nest te bouwen. Vooral in de bosrijke streken van de hogere zandgronden komt de soort veel voor, maar ook in boomrijke woonwijken en in moerassen en duinen met veel struweel. Winterkoningen zoeken hun voedsel in en nabij struikgewas. Met hun fijne snavel zijn ze gespecialiseerd in het eten van kleine insecten, rupsen, spinnetjes, larven en zaadjes. Ook uit kleine spleten in bijvoorbeeld schors kunnen zij allerlei eiwit-rijkgedierte peuteren.
