dinsdag 1 november 2022

Het Dodaars koppel op de Kleine Flaes

De Dodaars is de kleinste fuut in ons land. De Dodaars heeft op het enigszins verscholen de Kleine Flaes op Landgoed De Utrecht een veilige beschutting en schoon helder water. Het ligt enigszins verscholen naast de veel grotere natuurven de Flaes. De Flaes is 488.168 m2 groot, de Kleine Flaes is, 189.300 m2 groot. (De opnames zijn al in maart gemaakt. Omdat ik nog meer beelden wou opnemen - wat er niet van gekomen is - heb ik nu de beelden pas gemonteerd.)


Het Dodaars koppel op de Kleine Flaes

De Dodaars dankt zijn naam aan de korte, witte achterwerk. Dodaazen zijn zeer compact gebouwd en hebben wit 'poederdons' als achterste. Het zijn schuwe vogels, die zich verstoppen zodra mensen opgemerkt worden door te duiken en zich aan waterplanten vasthoudt, de snavel als snorkel gebruikend. Op deze manier kan de dodaars zich lange tijd aan het gezicht onttrekken. Dodaarzen duiken regelmatig. In de zomer zijn dodaarzen donker gekleurd, met een roestrode keel en hals. De mondhoek is opvallend geel in het broedseizoen. Het winterkleed is een stuk lichter, het achterste is het gehele jaar voorzien van een vuilwitte 'poederdons', de 'dodde-aars'.

Waterkwaliteit is waar het om draait voor de dodaars. Hoe zuiverder het water, hoe rijker het is aan waterinsecten. Bovendien is het belangrijk dat het water voldoende helder is: dodaarzen zijn zichtjagers. De belangrijkste oorzaken voor de afname van de dodaars zijn dan ook de slechte waterkwaliteit als gevolg van inspoeling van meststoffen en verstoring ten gevolge van water- en oeverrecreatie. Verbetering van de waterkwaliteit is de belangrijkste maatregel. Het uiterst voedselrijke water dat via de landbouwgronden in sloten, vaarten en meren terecht komt, leidt tot een sterke toename van voor dodaarzen als voedselbron ongeschikte witvissoorten. Bovendien verarmt de onderwatervegetatie én de daarbij horende rijkdom aan waterinsecten en weekdieren.

dinsdag 11 oktober 2022

De wonderlijke wereld van de Korstmossen

Anders dan de naam doet vermoeden, is een korstmos (licheen) geen mossoort, maar een symbiose van groenalgen of soms cyanobacteriën (blauwwieren) met een schimmel. Een symbiose is het samenleven van twee organismen van verschillende soorten, waarbij de samenleving voor ten minste één van de organismen gunstig of zelfs noodzakelijk is. De beide partners heten symbionten. Sommige algensoorten die in korstmossen voorkomen, kunnen ook vrij leven, de schimmel wordt echter nooit zonder de alg aangetroffen.


De wonderlijke wereld van de Korstmossen

Ingebed in het schimmelweefsel leven eencellige algen of cyanobacteriën, deze zorgen voor het voedsel. Koolhydraten zoals glucose worden gemaakt middels fotosynthese, waarbij lichtenergie wordt gebruikt om koolstofdioxide en water om te zetten in de koolhydraten, hier komt zuurstof bij vrij. De bouwstoffen voor eiwitten en vetten, zoals stikstof en fosfor worden afhankelijk van het groeitype gehaald uit het substraat (schors, steen, zand), uit zwevend stof uit de lucht dat zich aan het korstmos hecht, of uit in regenwater opgeloste stoffen. De schimmel zorgt voor structuur, bescherming en houvast op een substraat. Schimmelpartners produceren dikwijls bittere chemische stoffen die het korstmos beschermen tegen vraat. Korstmossen zijn dus afhankelijk van licht en water. Korstmossen die bijvoorbeeld in Europa op bomen groeien, zitten vooral aan de zuidwestkant, daar is de grootste beschikbaarheid van licht en water.

Korstmossen bestaan dus voor een groot deel uit een schimmel. Mossen staan dichter bij de gewone planten, ze zijn het meest verwant aan varens en paardenstaarten. Groene tapijten mossen en korstmossen zijn ecologisch wél verwant. Ze vervullen vaak een vergelijkbare rol in een ecosysteem en meestal is dat op microniveau. Een mat van mos of korstmos vormt een wereld op zich.

Ecologie en luchtverontreiniging
Veel korstmossen zijn net als planten gebonden aan een bepaalde biotoop. De belangrijkste verschillen in voorkomen tussen verschillende soorten korstmossen worden bepaald door de zuurgraad van het substraat, voedselrijkdom (bijv. zand is voedselarmer dan humus en eikenschors is voedselarmer dan schors van vlier) en vochtigheid. Hiermee hangt ook samen lichte/open en donkere/beschutte plaatsen.

Korstmossen reageren snel op veranderingen in het milieu of (indirect) op veranderingen van de eigenschappen van het substraat. Hierdoor zijn ze bruikbaar als meetinstrument voor luchtverontreiniging. In Nederland bestaat op de zandgronden al sinds 1988 een ammoniakmeetnet voor korstmossen. Momenteel zijn er vijf provincies die hieraan meedoen, ook Utrecht. Bijna 20.000 bomen worden elke vijf tot tien jaar bemonsterd. Het blijkt dat de Utrechtse Heuvelrug, de Veluwe en Drenthe de schoonste gebieden zijn wat betreft vervuiling door bemesting, maar de achteruitgang in deze gebieden gaat nog steeds door, ondanks alle ammoniak beperkende maatregelen. In sommige gebieden met veel intensieve veehouderij is er wel een verbetering. Het noorden van Nederland is relatief schoner dan het zuiden. Zwaveldioxide speelde tot in de jaren tachtig een belangrijke rol bij het verdwijnen van veel soorten korstmossen. Ammoniak is nu de grootste veroorzaker van de achtergang van soorten.

Zoals al gemeld komen in het gebied De Zoom nog enkele zeldzame korstmossen voor. Om deze meer kansen te geven gaat de natuurwerkgroep in de komende tijd verder met onderhoudswerkzaamheden. Boomlijken (afgestorven en omgevallen bomen) en eikenstrubben zullen worden vrijgezet. Corridors waar nog korstmossen voorkomen gaan we verbreden en ontdoen van de toplaag. We hopen daarmee de korstmossen een toekomst te geven.

zaterdag 8 oktober 2022

Zwammen en paddenstoelen in het bos

De herfst is weer begonnen. Wie door het bos wandelt kan genieten van de pracht van de zwammen en paddenstoelen. Maar door een stijgend stikstofgehalte sterven er steeds meer soorten uit. En dat gaat weer ten koste van onze bossen.


Zwammen en paddenstoelen in het bos

Paddenstoelen zijn een typisch herfstverschijnsel. Vaak zie je mensen met tassen vol paddenstoelen het bos uit lopen. Dat is niet alleen strafbaar, maar het is ook heel belangrijk voor het in stand houden van onze bossen. Het is een beeld dat we allemaal kennen: een herfstig bos met bomen in alle kleuren, met een dik pak vallende bladeren en kaal wordende bomen. En natuurlijk ook paddenstoelen. Berkenzwammen tegen de bomen aan, elfenbankjes op dood hout, de vliegenzwam vormen samen het vertrouwde herfstbeeld.

Maar sommige soorten kunnen dus verdwijnen, en zijn al op de terugtocht. Het stikstofgehalte in de Nederlandse bodem steeg de afgelopen jaren flink, onder andere door bemesting. In bossen heeft dit tot gevolg dat paddenstoelen minder goed kunnen samenleven met bomen. Omdat paddenstoelen bomen voorzien van voedingsstoffen, zorgt een teveel aan stikstof dat bomen veel veel sneller last krijgen van bijvoorbeeld droogte. Voor sommige belangrijke paddenstoelen duurt de droogte ontzettend lang.

Als voorbeeld noemt hij de Wasplaat, een soort die vroeger veel voorkwam maar nu bijna onvindbaar is. Het duurt wel 20 tot 25 jaar tot deze terug groeien. Deze groeien van oorsprong in graslanden, maar door de massale bemesting kom je er nu met een beetje geluk één tegen op een verlaten dijk. Het ís dus mogelijk om inheems soorten terug te laten komen, maar daarvoor moet het stikstof-gehalte echt naar beneden worden geschroefd.

woensdag 13 juli 2022

De juveniel Bermpjes in de Groote Beerze

Het Bermpje (Barbatula barbatula) is een langgerekte bodemvis die behoort tot de familie van de bermpjes (Balitoridae). In Nederland komt de soort voornamelijk voor op de pleistocene zandgronden. Beken vormen hier het belangrijkste leefgebied maar ook in vaarten en sloten waar sprake is van enige stroming wordt de soort aangetroffen.


De juveniel Bermpjes in de Groote Beerze

Het Bermpje prefereert ondiep stromend water met voldoende dekking in de vorm van stenen, takken en planten. In Nederland komt Bermpje voornamelijk voor op de zandgronden. Beken vormen hier het belangrijkste leefgebied maar ook in vaarten en sloten waar sprake is van enige stroming wordt de soort aangetroffen. Het voedsel bestaat uit bodembewonende ongewervelden die met behulp van de bekdraden worden gevonden.

De kop is enigszins afgeplat met een naar beneden gerichte bek met zes bekdraden: vier op de bovenlip en twee in de mondhoeken. De huid is glad zonder zichtbare schubben met een donker- tot bruine kleur met onregelmatige donkere vlekken op de flanken. De soort kan een lengte van circa 20 centimeter bereiken maar blijft meestal kleiner. De grote en de kleine modderkruiper vertonen gelijkenis met het Bermpje. Grote modderkruiper heeft tien bekdraden. Kleine modderkruiper heeft een stekel onder het oog en een regelmatig vlekkenpatroon.

Het Bermpje is vrij algemeen in Nederland ten oosten van de lijn Bergen op Zoom-Groningen. De verslechtering van de waterkwaliteit en het normaliseren van beeksystemen zorgde in de tweede helft van de 20e eeuw voor een afname. Door de verbeterde waterkwaliteit en beekherstelprojecten komt de soort in veel beeksystemen tegenwoordig weer algemeen voor. Hoewel het Bermpje niet door beroeps- of sportvissers bevist wordt, is deze op 1 juli 2010 opgenomen in de Visserijwet zonder beperkingen.