De Waterbergingplas aan het Schotelven in Netersel is een broedplaats voor veel watervogels. De plas maakt onderdeel uit van het natuurherstel "Natte Natuurparel De Utrecht", een natuurherstel project in samenwerking met provincie Noord Brabant, Waterschap De Dommel, Brabants Landschap en diverse grondeigenaren.
De Grote Canadese ganzen hadden al vroeg jonge kuikens, variƫrend van een paar weken tot nog ouder. De Grote Canadese gans is een exoot die als kooivogel naar Europa is gehaald. Nijlganzen zijn ook exoten. Van Nijlganzen is bekend dat ze al vroeg jonge kuikens voort brengen. Ze hebben hun broedperiode aangehouden die ze ook in het oorspronkelijke Nijlgebied hadden. Ook de Wilde eenden hadden jonge kuikens. Meestal wordt het nest in de buurt van water gemaakt, onder struiken en tussen planten, als in boomholtes. De Waterberging is ook een habitat voor diverse libellen. Zo zien we hier de Platbuik, de Bruine heidelibel, de Gewone oeverlibel, en de Azuurwaterjuffer. Natuurlijk weten ook de groene kikkers de plas te vinden.
De Meerkoet bouwden een drijvend nest waar ze al eieren hadden uitgebroed. Als het water tijdens een regenbui stijgt beweegt het drijvende nest mee met het waterpeil, zodat de eieren en jonge kuikens droog blijven. Vooral gebieden met een flinke oeverbegroeiing zijn populair, hoewel de soort zich ook kan redden in vaarten met een beschoeiing en nauwelijks waterplanten.
Tijdens het filmen was ik getuigen van een paring van de Kuifeend. Kuifeenden broeden vanaf de maand mei. Het vrouwtje legt 8 tot 11 eieren, die zij zelf uit broed. De kuifeend is geen koloniebroeder, maar op een geschikte locatie kunnen zich wel meerdere nesten bevinden op een tiental meters van elkaar. Het meest waardevolle is dat de Dodaars er broedt en jonge kuikens hebben voortgebracht. Op de video is dan ook te zien dat de Dodaars er zit te broeden. Zowel het mannetje als het vrouwtje nemen de broedtaken voor hun rekening. De dodaars is onze kleinste futensoort. Deze schuwe watervogel is zelfs nog een slag kleiner dan het waterhoen. Als je goed kijkt zie ook dat de eieren gedraaid worden bij de aflossing van de broedbeurt. De dodaars jaagt naar kleine visjes en larven in ondiepe en beschutte wateren. Moerasgebieden bijvoorbeeld, maar ook vennen en meren.
De Wintertaling zwom naar de achterkant van de plas, om zich om te keren, en met een aanloop weg te vliegen. Met de kop onder water verzamelen ze kleine waterdieren en plantaardig materiaal. Broedt op de grond, goed verscholen in de vegetatie. Verder kreeg ik de Kleine plevier voor de telelens. De Kleine plevier is een pionier. Je hoort de contactroep van de Kleine plevier. Hij vestigt zich rap op plekken die tijdelijk geschikt zijn om te broeden, zoals afgravingen en nieuw aangelegde waterbergingplassen. Ze eten vooral insecten, waaronder kevers, vliegen, mieren, haften, libellenlarven en sprinkhanen.
Langs de waterberging loopt een nieuwe waterloop die voedselrijk water uit agrarisch gebied rechtstreeks naar de Groote Beerze afvoert. Daar filmde ik de Gele kwikstaart. Voor de herinrichting stroomde dat voedselrijke water nog door natuurgebied Neterselse Heide. Het oorspronkelijke habitat van de Gele kwikstaart bestaat uit rivierbegeleidend grasland. Tegenwoordig broeden de meeste gele kwikstaarten in boerenland.
Om de IJsvogel te filmen moest ik vroeg opstaan. De blauwe vogel met de roestbruine borst was aan het vissen. Met een plons in het water had hij een visje beet en vloog weg. Intussen zwommen de jonge Dodaarskuikens achter een van de ouders aan. Beide ouders nemen enkele kuikens apart mee om naar voedsel te zoeken. EƩn ouder met slechts twee kuikens wil dus niet direct zeggen dat de broed mislukt is.
Planten zoals het Moerasvergeetmijnietje, de Grote wederik, Haagwinde, en de Grote egelskop vinden we er. Later werd ik nog verrast door de verschijning van een Vos, maar die vormde geen bedreiging voor de eenden op het water. De eenden leken zich daar ook niet door bedreigd. Aan de overkant van de plas waren enkele Scholeksters de grond aan het afspeuren naar wormen. De Zwart-witte vogel met zijn oranje snavel is een waadvogel die in de zachte bodem naar voedsel zoekt.
De Lepelaar struinde het water af naar voedsel. De lepelaar gebruikt zijn uiterst gevoelige, lepelvormige snavel om op de tast voedsel te vinden in troebel water. Door zenuwbundels in de snavelpunt voelt de vogel prooien zoals kleine vissen direct, waarna de snavel met een zeefmembraan als een pollepel werkt. Het voedsel bestaat in het voorjaar vooral uit zoetwaterprooien (onder meer stekelbaars en amfibieƫn, grotere aquatische insecten zoals libellenlarven en andere ongewervelden). Er wordt dan vooral gefoerageerd in ondiepe poldersloten, oeverzones en moerassen.
Of het Waterhoen er ook gebroed heeft weet ik niet. De donker gekleurde vogel met een rode snavel en een rood blesje op het voorhoofd nestelen tussen het riet, of andere dichte oevervegetatie.
