De grasmus is een kleine zangvogel die dol is op open heide, maar wel de combinatie zoekt met lage struwelen en veel open plekken in de vegetatie. Ze gebruiken de open stukken om te foerageren en de lage struiken als zangpost en broedplaats. Ze houden van een jong assortiment struiken gecombineerd met gras en heide.
Ze gebruiken hogere twijgjes of kleine struikjes om het territorium zingend af te bakenen. De grasmus profiteert enorm van natuurbeheer. Omdat heide van naturen snel dichtgroeit met bomen en grassen, moeten natuurorganisaties ingrijpen. Dit wordt gedaan met diverse maatregelen. Grasmussen nestelen graag in doornstruiken of ruigte. De kans dat je ze op de open heide samen ziet met de Grauwe klauwier is dan ook mogelijk. In bos- en natuurgebieden bewoont de Grasmus doorgaans randen en open plekken met opslag. Langs met struiken begroeide wegbermen en spoorwegtaluds komt de grasmus ook voor in verder ongeschikte biotopen, zoals open agrarisch gebied en steden.
De grasmus is geen opvallende vogel, maar de zang en de zangvlucht wel. Grasmussen zijn pioniersvogels van de allereerste bos stadia, met opslag van struweel, in allerlei landschappen. Soms ook in pure ruigte met alleen hoge kruiden te vinden. Ondanks zijn naam is de grasmus niet verwant aan de huismus. De 'familie' van de grasmussen is vooral een in het zuiden van Europa en in Afrika voorkomende groep vogels. Hiervan heeft de grasmus veruit het grootste verspreidingsgebied.
De mannetjes komen eerder terug van de overwinteringsgebieden dan de vrouwtjes. De man zingt volop van eind april tot in juni. Het mannetje bouwt enkele nesten, waaruit het vrouwtje haar keuze maakt. Bevalt geen van de nesten haar, dan bouwt ze alsnog haar eigen nest. Vaak wordt er twee keer gebroed, met legsels van 4 tot 5 eieren, waarop zowel man als vrouw broedt gedurende 9 tot 14 dagen. 10 tot 12 dagen later zijn de jongen klaar om het nest uit te vliegen, maar worden ze nog wel 15 tot 20 dagen gevoed door de ouders. Bij het tweede nest moet het vrouwtje alleen voor de jongen zorgen.
Ze overwinteren ten zuiden van de Sahara, veelal in de Sahel van Senegal tot Ethiopiƫ, maar ook vin Tanzania, Zambia, Zimbabwe en Botswana. 'Onze' grasmussen zitten voornamelijk in de westelijke Sahel. Ze trekken vaak 's nachts, en van een klein percentage dat 's ochtends nog doortrekt, zien we ze gericht van struik naar struik vliegen. Ze trekken in augustus en september naar het zuiden en keren van half april tot half mei terug.
